Gerecht EU bevestigt (vroegere) Belgische btw-heffing op reizen buiten de EU

Mar 28
Met het arrest van 25 maart 2026 (T-221/25) bevestigt het Gerecht van de EU dat België historisch btw mocht blijven heffen op diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Europese Unie, op basis van de standstillregeling.

Het arrest sluit nauw aan bij de eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie in deze zaak (HvJ 13 maart 2014, C 599/12 Jetair en BTWE Travel4you), maar verduidelijkt bijkomend dat een expliciete afwijkingsbepaling in de nationale wet niet vereist is.

Hiermee komt een jarenoud geschil (waarschijnlijk) tot een einde.

Context: vrijstelling versus standstill bepaling

Volgens de btw-richtlijn zijn diensten van reisbureaus in beginsel vrijgesteld van btw wanneer zij tussenkomst bieden bij reizen buiten de EU (art. 309 btw-richtlijn). Lidstaten mochten echter via de standstillregeling (art. 370 btw-richtlijn) handelingen die zij op 1 januari 1978 reeds belastten, blijven onderwerpen aan btw. België maakte van deze mogelijkheid gebruik.

In de zaak Jetair (2014) bevestigde het Hof van Justitie reeds dat België deze diensten mocht blijven belasten zonder het Unierecht te schenden.

Het twistpunt: wetswijziging 2000

Bij het koninklijk besluit van 28 december 1999 (dat in werking trad vanaf 1 januari 2000) werd de Belgische regeling voor reisbureaus grondig herschreven om ze af te stemmen op de richtlijn (na een klacht van de Commissie). Daarbij werd het vroegere vermoeden dat reisbureaus als lasthebber van de reiziger handelden, geschrapt en vervangen door een regeling waarbij zij geacht worden in eigen naam op te treden. Tegelijk verdween ook de expliciete uitsluiting van de btw-vrijstelling voor reisdiensten buiten de EU. Deze laatste schrapping vloeide voort uit het feit dat die bepaling overbodig was geworden: de vroegere uitsluiting van de vrijstelling was immers gekoppeld aan het toenmalige vermoeden dat reisbureaus als tussenpersoon optraden.

De TUI groep (noteer dat Jetair is opgegaan in TUI) stelde dat daardoor de vrijstelling opnieuw van toepassing werd en vroeg om teruggaaf van de btw die zij eerder had afgedragen op reizen buiten de EU.

Gerecht EU: impliciete belastbaarheid volstaat

Het Gerecht verwerpt dit standpunt:
  • De standstillregeling vereist geen expliciete afwijkingsbepaling in nationale wetgeving.
  • Het volstaat dat uit de regeling impliciet blijkt dat de betrokken diensten belastbaar blijven. De Belgische wetgeving bevatte nog steeds geen vrijstellingsregeling.
  • Een latere wetswijziging doet de standstill niet vervallen zolang de regeling in essentie dezelfde belastingheffing behoudt en niet van een andere hoofdgedachte uitgaat.

Volgens deze redenering mocht de Belgische Staat de betrokken diensten dus wel blijven belasten.

Huidige situatie: vrijstelling sinds 1 mei 2014

Belangrijk is evenwel dat de discussie vandaag grotendeels historisch is.

Sinds 1 mei 2014 heeft België de richtlijnregeling effectief gevolgd en een expliciete vrijstelling ingevoerd in artikel 41, § 2bis Wbtw. Deze bepaling voorziet dat:
  • de dienst van een reisbureau vrijgesteld is wanneer de onderliggende prestaties buiten de EU plaatsvinden;
  • bij gemengde reizen enkel het buiten-EU-gedeelte wordt vrijgesteld.

Besluit

Het arrest van 25 maart 2026 bevestigt dat België zijn historische afwijking rechtsgeldig heeft toegepast, ook zonder expliciete wetsformulering na 2000. Samen met Jetair sluit dit de discussie over het verleden grotendeels af.

Voor de praktijk is echter vooral van belang dat België sinds 2014 de vrijstelling effectief toepast, conform de btw-richtlijn.

Ook op ruimer juridisch vlak is dit arrest relevant. Het illustreert dat het Hof en het Gerecht bij de beoordeling van overgangs- en standstillbepalingen niet uitsluitend kijken naar de formulering van nationale wetgeving, maar vooral naar haar materiële continuïteit. De vraag is minder of een afwijking letterlijk wordt herhaald, en meer of de nationale regeling in wezen dezelfde belastbare situatie blijft organiseren.