België hertekent de btw herzieningstermijn na het Drebers arrest: 15 jaar voor duurzame verbouwingen vanaf 2026

Jan 22
Een wetsontwerp “houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde” wijzigt meerdere bepalingen van het btw-Wetboek en enkele uitvoerings-KB’s. De blikvanger is de invoering van een herzieningstermijn van vijftien jaar voor btw die werd afgetrokken op bepaalde verbouwingswerken, met name wanneer die werken kenmerken vertonen die vergelijkbaar zijn met kenmerken die doorgaans aan onroerende goederen worden toegeschreven. Voor de herzieningstermijn wordt het onderscheid tussen “renovatie” en “vernieuwbouw” daarbij niet langer doorslaggevend (Parl.St., Kamer, 2025-2026, nr. 56-1205/001). Het wetsontwerp werd op 21 januari 2026 in een tweede lezing goedgekeurd in de Kamercommissie.

De bedoeling is dat België vanaf de inwerkingtreding de herzieningsregels aanpast voor deze categorie van verbouwingswerken. In het huidige systeem vallen nieuwbouw en de aankoop van ‘nieuwe’ gebouwen onder een herzieningstermijn van vijftien jaar, terwijl zware renovaties en uitbreidingswerken in de praktijk vaak na vijf jaar buiten herziening vallen (tenzij zij de werken effectief als “vernieuwbouw” moeten worden beschouwd - wat in se een zeer ingrijpende wijziging van de aard of structuur van het gebouw vereist).

De directe aanleiding van de koerswijziging is het arrest Drebers (C-243/23, 12 september 2024). Het Hof van Justitie oordeelde dat België het neutraliteitsbeginsel schendt wanneer renovatiewerken met een economische impact vergelijkbaar met nieuwbouw aan een kortere herzieningstermijn worden onderworpen enkel omdat zij niet voldoen aan nationale nieuwbouwcriteria. België moest dus reageren, hetzij via een wijziging in de administratieve praktijk, hetzij via wetgeving. De keuze is gemaakt: een ingreep via wetgeving.

Het huidige kader

De btw-aftrek op bedrijfsmiddelen is onderworpen aan herziening. In België zijn de regels verankerd in artikel 48, § 2 en artikel 49 WBTW, in samenhang met KB nr. 3. De standaardherzieningstermijn bedraagt vijf jaar. Voor btw op handelingen die strekken tot of bijdragen aan de oprichting van onroerende bedrijfsmiddelen (gebouwen) geldt een termijn van vijftien jaar, en voor gebouwen die onder de btw-optie worden verhuurd zelfs vijfentwintig jaar. Die langere termijnen zijn logisch, omdat gebouwen een lange economische levensduur hebben en hun gebruik in de tijd kan wijzigen.

Ook de btw-richtlijn vertrekt van een basisduur van vijf jaar, met de mogelijkheid voor lidstaten om voor onroerende investeringsgoederen te verlengen tot maximaal twintig jaar (artikelen 187 en 189 btw-richtlijn). Lidstaten hebben daarbij beoordelingsruimte, maar moeten die uitoefenen in lijn met de doelstellingen van de richtlijn en het neutraliteitsbeginsel.

In België vallen omvormings- en verbeteringswerken aan gebouwen in principe onder de vijfjarige herziening, omdat zij doorgaans als diensten worden behandeld. Dat verandert enkel wanneer de werken zo ingrijpend zijn dat er voor btw-doeleinden een “nieuw gebouw” ontstaat, zodat overdracht of verhuur met btw mogelijk wordt. Men spreekt dan van “vernieuwbouw”, een concept dat in de praktijk veel discussie oproept.

Daar zit de kern van de moeilijkheid: sommige zware renovaties hebben economisch hetzelfde investeringskarakter als het gebouw zelf, maar vielen toch vaak in de korte herzieningshorizon.

De kern van de wetswijziging: 15 jaar herziening voor duurzame verbouwingswerken

De wetswijziging beoogt om vanaf 2026 de vijftienjarige herzieningstermijn ook van toepassing te maken op verbouwingsdiensten die “kenmerken vertonen die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan onroerende bedrijfsmiddelen worden toegeschreven”. De focus verschuift daarmee naar de vraag of de werken, gelet op hun gevolgen, een economische levensduur hebben die vergelijkbaar is met die van een (nieuw) gebouw.

Belangrijk is dat de wetgever bewust geen gesloten lijst invoert. Er wordt gekozen voor een economische toets, duidelijk in lijn met Drebers, waardoor de beoordeling noodzakelijkerwijs feitengebonden wordt. In de praktijk zal het dus aankomen op de aard en omvang van de werken, hun structurele impact en vooral de duurzaamheid van het resultaat, met andere woorden de economische levensduur van de ingreep. De memorie van toelichting kondigt bovendien een administratieve circulaire met aanvullende verduidelijkingen aan. De concrete afbakening zal dus in belangrijke mate via administratieve duiding en casuïstiek worden ingevuld.

Retroactieve inwerkingtreding

Initieel was het de bedoeling dat de hervorming zou ingaan op 1 januari 2026, maar de tekst die in tweede lezing in de Kamercommissie is goedgekeurd, koppelt de inwerkingtreding aan de dag van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. In de memorie van toelichting wordt de toepassing verder gekoppeld aan relevante ge-bruikswijzigingen die plaatsvinden vanaf de inwerkingtreding, ongeacht wanneer het belastbare feit en de opeisbaarheid van de btw op de werken zich hebben voorgedaan, zolang de herzieningstermijn nog loopt. Een herzieningstermijn die onder de huidige regels al volledig is verstreken, kan dus niet “herleven”.

Slotbeschouwing

Met deze wetswijziging beoogt men de wetgever, na een veroordeling door het Hof van Justitie, de herzieningsregels beter laten aansluiten bij het EU-recht. Voortaan moet de herzieningstermijn meer volgen uit het investeringskarakter en de economische levensduur van ingrijpende renovaties, en minder uit het loutere etiket “nieuw gebouw”.

Dat neemt niet weg dat de hervorming ook onzekerheid creëert. Door te werken met een open norm ontstaat interpretatiedruk en een reëel risico op uiteenlopende toepassingen in de praktijk. Veel zal afhangen van de aangekondigde circulaire. Die moet concreet verduidelijken welke criteria gelden en waar precies de grens ligt tussen “klassieke” verbouwingen en werken met een investeringskarakter dat vergelijkbaar is met dat van een gebouw. Pas dan zal duidelijk zijn wanneer de vijftienjarige herzieningstermijn speelt.

Daarnaast rijst de vraag in welke mate de vroegere regels juridisch houdbaar waren. In de praktijk bestaan vandaag al veel discussies over dergelijke kwalificaties, en die dossiers zijn vaak technisch en worden steeds vaker aan de rechtbanken voorgelegd.

Kortom: het laatste woord is ook hier nog niet gezegd.