Double dip alert: foute factuur kan meerdere btw-schulden creëren (Gerecht 25 februari 2026, T-638/24, Finanzamt ÖsterreichGerecht 25 februari 2026, T-638/24, Finanzamt Österreich/D GmbH)

Feb 27
Foutief gefactureerde btw op intracommunautaire leveringen is een klassieker. Wanneer een leverancier binnenlandse btw aanrekent terwijl de levering materieel vrijgesteld hoort te zijn, kan die btw toch verschuldigd worden louter omdat zij op de factuur staat (artikel 203 btw-richtlijn). De afnemer botst dan op een tweede klassieker: die btw is doorgaans niet aftrekbaar, omdat zij niet voortvloeit uit een werkelijk belastbare handeling. 

Minder intuïtief is het veiligheidsnet bij intracommunautaire verwervingen. Wanneer een afnemer bij de aankoop een btw-nummer gebruikt dat niet behoort tot de lidstaat waar de goederen aankomen, kan de lidstaat die dat nummer heeft toegekend de verwerving belasten zolang niet wordt aangetoond dat in de aankomstlidstaat btw is geheven (artikel 41 btw-richtlijn). Dit veiligheidsnet wordt vaak toegelicht aan de hand van een “buitenlands” nummer, maar werkt evenzeer wanneer het binnenlands nummer van de vertrekstaat wordt gebruikt.

In zijn arrest van 25 februari 2026 (T-638/24, Finanzamt Österreich/D GmbH) brengt het Gerecht precies deze twee werelden samen. Op de factuur werd binnenlandse btw vermeld voor een materieel vrijgestelde intracommunautaire levering, terwijl de afnemer het btw-nummer van de vertrekstaat gebruikte en niet kon aantonen dat in de aankomstlidstaat btw was geheven. De vertrekstaat belastte daarop de intracommunautaire verwerving en handhaafde tegelijk de btw-schuld die uitsluitend uit de foutieve facturatie voortvloeide. 

Dat voelt als dubbele heffing in één en dezelfde lidstaat. Het Gerecht bevestigt evenwel dat deze samenloop juridisch mogelijk is. De btw die voortvloeit uit de vermelding op de factuur kan immers niet worden gelijkgesteld met een materiële heffing op de levering zelf. Juridisch gaat het om de cumulatie van twee autonome mechanismen: het veiligheidsnet voor intracommunautaire verwervingen (artikel 41 btw-richtlijn) en de btw-schuld die ontstaat door vermelding van btw op een factuur (artikel 203 btw-richtlijn). 


Een opmerkelijke uitkomst, die nadere analyse verdient.

Achtergrond


Het intracommunautaire btw-stelsel werkt volgens een spiegelmechanisme. De levering in de lidstaat van vertrek is vrijgesteld als intracommunautaire levering, mits aan de materiële en formele voorwaarden is voldaan (artikel 138 btw-richtlijn). De verwerving wordt belast in de lidstaat waar het vervoer eindigt, wat de hoofdregel vormt inzake plaats van verwerving (artikel 40 btw-richtlijn). Dit systeem waarborgt dat grensoverschrijdende transacties binnen de Unie niet dubbel worden belast, maar ook niet onbelast blijven. 

Artikel 41 wijkt af van deze hoofdregel wanneer de afnemer de aankoop verricht onder een btw-nummer dat is toegekend door een andere lidstaat dan de lidstaat van aankomst. In dat geval wordt de plaats van de intracommunautaire verwerving geacht te liggen in de lidstaat die het gebruikte btw-nummer heeft toegekend, tenzij de afnemer aantoont dat de verwerving effectief in de lidstaat van aankomst in de heffing is betrokken (artikel 41, eerste alinea). De ratio is duidelijk: voorkomen dat een intracommunautaire verwerving tussen twee lidstaten verdwijnt en nergens wordt belast.

Artikel 203 vervult een fundamenteel andere rol binnen het stelsel. Wie btw op een factuur vermeldt, is die btw in beginsel verschuldigd, zelfs wanneer de onderliggende handeling materieel niet belastbaar is. Deze bepaling beoogt te vermijden dat onterecht gefactureerde btw via aftrek leidt tot verlies van belastinginkomsten. Zij creëert een autonome btw-schuld die losstaat van de kwalificatie van de levering en neutraliseert het risico dat foutief gefactureerde btw het systeem ondergraaft.


Feiten


D GmbH, gevestigd in Oostenrijk, kocht goederen bij Oostenrijkse leveranciers. De goederen werden vanuit Oostenrijk vervoerd naar andere lidstaten. Bij de aankoop gebruikte D haar Oostenrijks btw-nummer. De leveranciers factureerden met Oostenrijkse btw.


In haar aangiften nam D het standpunt in dat de gefactureerde Oostenrijkse btw aftrekbaar was en dat geen in Oostenrijk belastbare intracommunautaire verwerving had plaatsgevonden.

De Oostenrijkse belastingadministratie volgde die redenering niet. Volgens haar kwalificeerden de betrokken leveringen materieel als vrijgestelde intracommunautaire leveringen (artikel 138 btw-richtlijn). Dat op de factuur toch Oostenrijkse btw was vermeld, bracht mee dat de leveranciers deze btw verschuldigd waren op grond van artikel 203 btw-richtlijn.


Daarnaast stelde de administratie vast dat D niet had aangetoond dat de intracommunautaire verwervingen in de lidstaat van aankomst in de heffing waren betrokken. Omdat D haar Oostenrijks btw-nummer had gebruikt, kon Oostenrijk de verwervingen belasten via het veiligheidsnet van artikel 41 btw-richtlijn. De aftrek van de foutief gefactureerde btw werd geweigerd.


In één en dezelfde lidstaat ontstond aldus een dubbele btw-druk. Enerzijds was er een btw-schuld bij de leverancier op grond van artikel 203, louter wegens de vermelding op de factuur. Anderzijds was er een btw-schuld bij de afnemer op grond van artikel 41, omdat niet was aangetoond dat in de aankomstlidstaat werd geheven.

Dat spanningsveld vormde de kern van het geschil dat uiteindelijk aan het Gerecht werd voorgelegd.


Prejudiciële vragen


Het geschil werd voorgelegd aan het Gerecht. De verwijzende rechter wenste te vernemen of artikelen 40, 41 en 203 btw-richtlijn, gelezen in het licht van de beginselen van neutraliteit en proportionaliteit, zich verzetten tegen een nationale regeling waarbij artikel 41 wordt toegepast wanneer de levering materieel vrijgesteld is, maar in dezelfde lidstaat een btw-schuld ontstaat op grond van artikel 203 wegens foutieve facturatie.


Concreet rees de vraag of een lidstaat tegelijk de intracommunautaire verwerving mag belasten via het veiligheidsnet en een btw-schuld mag handhaven die uitsluitend voortvloeit uit de vermelding van btw op de factuur.


Daarnaast werd gevraagd of een latere correctie van de factuur gevolgen heeft voor het tijdstip waarop de intracommunautaire verwerving wordt geacht plaats te vinden.

 Het Gerecht beantwoordt de eerste vraag ontkennend. De btw-richtlijn verzet zich niet tegen deze samenloop van artikel 41 en artikel 203. Gelet op dat antwoord acht het Gerecht het niet noodzakelijk zich uit te spreken over de tweede vraag.


Beoordeling door het Gerecht


Twee afzonderlijke mechanismen binnen één en hetzelfde systeem


Het Gerecht vertrekt van een systematische analyse van de btw-richtlijn. Het benadrukt dat de regels inzake de plaats van een intracommunautaire verwerving enerzijds (artikelen 40 en 41 btw-richtlijn) en de regeling inzake btw die door vermelding op factuur verschuldigd wordt anderzijds (artikel 203 btw-richtlijn) elk hun eigen toepassingsvoorwaarden en doelstellingen hebben.


De plaatsbepalingsregels voor intracommunautaire verwervingen hebben een duidelijke functie: verzekeren dat een verwerving in elk geval in één lidstaat in de heffing wordt betrokken. Wanneer de afnemer een btw-nummer gebruikt dat niet toebehoort aan de lidstaat waar het vervoer eindigt, mag de lidstaat die dat gebruikte btw-nummer heeft toegekend de verwerving belasten zolang niet wordt aangetoond dat in de aankomstlidstaat btw is geheven (artikel 41). Het Gerecht herinnert eraan dat dit mechanisme net bedoeld is om niet-belasting te vermijden en tegelijk dubbele belasting van dezelfde verwerving te voorkomen.


De regeling van artikel 203 heeft een andere ratio. Wanneer btw op een factuur wordt vermeld, ontstaat een btw-schuld om het risico uit te sluiten dat de ontvanger die btw in aftrek brengt terwijl er geen materieel belastbare handeling is. Het Gerecht herhaalt zijn vaste rechtspraak dat deze schuld ontstaat onafhankelijk van de vraag of de onderliggende levering daadwerkelijk belastbaar is.


Vanuit die systematiek besluit het Gerecht dat beide bepalingen een autonome draagwijdte hebben. Het feit dat in de vertrekstaat btw verschuldigd is wegens foutieve facturatie, verhindert op zich niet dat diezelfde lidstaat de intracommunautaire verwerving belast op grond van artikel 41, wanneer aan de voorwaarden van die bepaling is voldaan.


Positionering tegenover eerdere rechtspraak


Het Gerecht plaatst deze zaak uitdrukkelijk naast zijn arrest van 7 juli 2022, Dyrektor Izby Skarbowej w W. (C-696/20). In dat arrest had het Hof geoordeeld dat toepassing van het veiligheidsnet problematisch kan zijn wanneer de levering in de vertrekstaat definitief als belastbare, niet-vrijgestelde levering wordt behandeld. In die situatie was er sprake van materiële btw-heffing op de levering zelf. Bijkomende toepassing van artikel 41 kon dan leiden tot een belasting die niet strookte met de doelstellingen van het systeem en met het neutraliteitsbeginsel.

In de huidige zaak ligt dat fundamenteel anders. De levering wordt in de vertrekstaat materieel als vrijgesteld behandeld. De btw die daar toch verschuldigd is, vloeit niet voort uit een inhoudelijke belasting van de levering, maar uitsluitend uit de vermelding van btw op de factuur op grond van artikel 203.

Het Gerecht onderstreept dat een schuld op grond van artikel 203 niet kan worden gelijkgesteld met een materiële heffing op de levering zelf. Precies om die reden kan de rechtspraak uit C-696/20 niet één op één worden toegepast.

De economische uitkomst mag dan gelijkaardig aanvoelen, juridisch gaat het om twee wezenlijk verschillende situaties.


Quid neutraliteit en proportionaliteit


De vraag die zich dan logischerwijze opdringt, is wat dit betekent voor neutraliteit en proportionaliteit. Kan het dat in één lidstaat tweemaal btw wordt geheven op goederen die materieel naar een andere lidstaat zijn vervoerd. In deze zaak werd in Oostenrijk zowel een btw-schuld bij de leverancier vastgesteld op grond van artikel 203 btw-richtlijn als een verwervings-btw bij de afnemer op grond van artikel 41 btw-richtlijn, terwijl de goederen naar Duitsland waren verzonden.


Het Gerecht erkent dat btw die louter door factuurvermelding verschuldigd wordt, in beginsel niet aftrekbaar is. Het recht op aftrek veronderstelt immers dat btw verschuldigd is op een werkelijk belastbare handeling. Een loutere vermelding op de factuur volstaat daarvoor niet.


Toch acht het Gerecht de beginselen van neutraliteit en proportionaliteit niet geschonden. Doorslaggevend daarbij is een zeer specifiek element van het Oostenrijks recht: foutief gefactureerde btw kon worden gecorrigeerd, zelfs wanneer de verjaringstermijn voor het betrokken factuurjaar reeds is verstreken. Dat betekent dat de btw-schuld op grond van artikel 203 in beginsel herzienbaar blijft en kan worden rechtgezet zodra het risico op verlies van belastinginkomsten is weggenomen.

 Volgens het Gerecht vereist neutraliteit niet dat een belastingplichtige nooit tijdelijk met een dubbele cash-impact wordt geconfronteerd. Het beginsel vereist wel dat hij niet definitief btw draagt die hem niet toekomt, wanneer het stelsel een daadwerkelijke en effectieve mogelijkheid tot correctie en teruggaaf waarborgt. Net dat element maakte in deze zaak het verschil.


Hier ligt tegelijk de gevoeligheid van het arrest. Niet elke lidstaat kent een even ruim correctiemechanisme. Waar correcties van facturen strikt in de tijd zijn beperkt of teruggaaf in de praktijk moeilijk realiseerbaar is, kan de neutraliteitsbalans sneller onder druk komen te staan.


De kern van de beslissing


De btw-richtlijn verzet zich niet tegen een nationale regeling waarbij:
• een intracommunautaire verwerving wordt belast in de lidstaat die het gebruikte btw-nummer heeft toegekend (artikel 41), zolang niet wordt aangetoond dat in de aankomstlidstaat btw is geheven, en

• in diezelfde lidstaat btw verschuldigd is wegens foutieve facturatie van een materieel vrijgestelde intracommunautaire levering (artikel 203).

 De samenloop is juridisch mogelijk omdat het gaat om twee autonome mechanismen met verschillende doelstellingen.


Commentaar


Dit arrest draait om twee banale fouten die in de praktijk opvallend vaak samen voorkomen. Ten eerste wordt bij een grensoverschrijdende goederenstroom het verkeerde btw-nummer gebruikt, vaak het nummer van de vertrekstaat dat standaard in het ERP-systeem of op de aankooporder staat. Ten tweede factureert de leverancier toch binnenlandse btw op wat materieel een vrijgestelde intracommunautaire levering is.


Het resultaat voelt als een “double dip”: een btw-schuld bij de leverancier wegens foutieve facturatie en tegelijk een btw-schuld bij de afnemer via het veiligheidsnet. Het Gerecht aanvaardt deze samenloop, omdat de schuld op grond van artikel 203 de kwalificatie van de levering niet wijzigt.


Voor de praktijk is de les helder: weten welk btw-nummer bij de aankoop moet worden gebruikt wanneer goederen grensoverschrijdend worden verstuurd, kunnen aantonen dat de btw in de aankomstlidstaat effectief in de heffing is betrokken, en bij fouten onmiddellijk corrigeren zodat de situatie snel wordt rechtgezet en niet blijft doorwerken.