Is er voor bedrijfsmiddelen een verplichting om btw te herzien bij een liquidatie?

Het Europese Hof van Justitie heeft op 6 oktober 2022 uitspraak gedaan in de zaak Vittamed technologijos UAB (C-293/21).

De conclusie van deze zaak is dat er een verplichting tot terugbetaling van btw kan ontstaan bij investeringsgoederen die nooit aangewend zijn voor het verrichten van belastbare handelingen.

Het Hof lijkt daarbij te stellen dat de manier waarop de liquidatie wordt afgehandeld een impact kan hebben op de aftrekpositie van de onderneming.
Feiten

Vittamed technologijos UAB (Vittamed) is een Litouws bedrijf dat zich bezighield met wetenschappelijk onderzoek en de praktische toepassing daarvan. Sinds 1 maart 2012 heeft Vittamed geen btw belaste leveringen meer verricht.

In 2012 en 2013 heeft Vittamed goederen en diensten verworven voor de verwezenlijking van een door de Europese Unie gefinancierd internationaal project dat tot doel had een prototype van medische diagnostische en monitoringapparatuur te ontwikkelen en die apparatuur vervolgens op de markt te brengen. Vittamed gebruikte die goederen en diensten voor de vervaardiging van immateriële (licenties) en materiële (prototypes van apparaten) investeringsgoederen. Zij was voornemens die investeringsgoederen te gebruiken voor haar toekomstige belaste activiteit. Echter, na de voltooiing van dat project heeft Vittamed verlies geleden. Daarop is besloten de activiteiten van de vennootschap te beëindigen.

De Litouwse Belastingdienst vond dat de btw-aftrek moest worden herzien en legde Vittamed een navordering op. Vittamed ging in beroep en argumenteerde dat aanspraak kan worden gemaakt op btw- over kosten die zijn gemaakt ter voorbereiding van een economische activiteit. Ook al is de economische activiteit niet met succes opgestart en vinden de voorgenomen belastbare handelingen niet plaats.

Prejudiciële vragen

De Litouwse rechter heeft twijfels over de toepassing van de herzieningsregels (artikelen 184 t/m 187 van de btw-richtlijn) en besluit om aan het EU-Hof van Justitie de volgende prejudiciële vragen te stellen.

• Moet een belastingplichtige overgaan tot de herziening van btw-aftrek voor 
  aankopen in het kader van de oprichting van investeringsgoederen, waarbij het
  voornemen om die investeringsgoederen te gebruiken voor belaste activiteiten
  niet langer bestaat, omdat de aandeelhouder besluit zijn onderneming te
  liquideren?
• Is de reden achter de beslissing om tot liquidatie over te gaan (in dit geval
   wegens toenemende verliezen, het uitblijven van bestellingen en de twijfels van
   de aandeelhouder met betrekking tot de winstgevendheid van de geplande
   voorgenomen economische activiteit) in deze van belang?

Oordeel

De herzieningsregels zijn opgenomen in art. 184 tot en met 187 Btw-richtlijn (2006/112/EC). Deze artikelen bepalen dat de btw-aftrek moet worden herzien als deze hoger of lager is dan die welke de belastingplichtige was gerechtigd toe te passen. Herziening vindt met name plaats indien na de btw-aangifte wijzigingen hebben plaatsgevonden in elementen die voor het bepalen van het bedrag van de aftrek in aanmerking zijn genomen.

Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof is bij de opstart van een bepaalde activiteit het gebruik van belang om de omvang van het recht op btw-aftrek en eventuele latere herzieningen. In haar eerdere rechtspraak wordt uitdrukkelijk gesteld dat het recht op aftrek in stand blijft ook al wordt, wegens omstandigheden buiten de wil van de belastingplichtige, besloten om niet tot de operationele fase over te gaan.

Dit standpunt is gebaseerd op het principe van de neutraliteit van btw en meer bepaald de overweging dat er geen verschil mag zijn in behandeling (btw-aftrek positie) naar gelang ondernemers al dan niet succesvol overgaan tot operationele activiteiten in een poging om een economische activiteit op te starten.
Wanneer echter de belastingplichtige niet langer voornemens is om de betrokken goederen en diensten te gebruiken voor belaste handelingen, dan kan deze situatie aanleiding geven tot een btw-herziening, stelt het Hof.

Uit het verzoek van de Litouwse rechter leidt het Hof af dat de belastingplichtige (omwille van de liquidatie) definitief niet langer voornemens is om de investeringsgoederen te gebruiken voor belaste handelingen. Voor zover deze situatie wordt bevestigd, hetgeen evenwel aan de verwijzende rechter staat om na te gaan, besluit het Hof dan ook dat het „nauwe en rechtstreekse verband” dat moet bestaan tussen het recht op aftrek en het verrichten van belaste handelingen in een later stadium, is verbroken en dat het herzieningsmechanisme moet worden toegepast.

De onderliggende motivatie om tot liquidatie over te gaan – zoals oplopende verliezen, het uitblijven van bestellingen en de twijfels van de aandeelhouder omtrent de winstgevendheid – is verder niet van belang, aldus het Hof.
De uitkomst zou evenwel volledig anders zijn indien de liquidatie zou geleid hebben tot belaste handelingen. Bijvoorbeeld: de verkoop van activa om de schulden van de belastingplichtige aan te zuiveren, ook al behoort dit niet tot de economische activiteit die deze belastingplichtige oorspronkelijk beoogde.

Commentaar

Het Hof oordeelt uiteindelijk dat Vittamed de oorspronkelijk in aftrek genomen btw had moeten herzien op grond dat, door de beslissing om tot liquidatie over te gaan, de goederen en diensten nooit zijn gebruik voor belaste activiteiten.

Het uiteindelijke doel is om de btw-aftrek op kosten voor duurzame goederen en diensten aan het daadwerkelijke gebruik van deze goederen en diensten te koppelen, waardoor de precisie van de aftrek en de neutraliteit wordt vergroot. Om deze reden worden investeringsgoederen voor btw-doeleinden een aantal jaren gevolgd.

In deze casus ging het om kosten die hebben bijgedragen tot het oprichten van investeringsgoederen, maar die uiteindelijk nooit in gebruik zijn genomen en dus “onverkocht” zijn gebleven. De belastingplichtige kan voor deze investeringsgoederen achteraf, na de vrijwillig stopzetting van de activiteit, alsnog geconfronteerd worden met een herziening van de in aftrek genomen btw.

Wanneer bij een liquidatie de aanwezige bedrijfsmiddelen worden verkocht, is er dan weer geen sprake van een herziening. Maar dit gaat uiteraard enkel op als het gaat om verkopen die aan de btw zijn onderworpen. Voor (oude) gebouwen zou dit dus tot problemen kunnen leiden, aangezien deze niet met toepassing van btw kunnen worden verkocht.

Vanzelfsprekend heeft het Hof, zoals bij elke zaak, haar beslissing gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals die aan haar zijn gepresenteerd. Deze zaak moet ons inziens in het licht van de specifieke context gezien worden.