Achtergrond en feiten
De gevoegde zaken hadden betrekking op drie Duitse dossiers over de toepassing van het verlaagde btw-tarief op hotelprestaties.
In de eerste zaak exploiteerde een onderneming een hotel en restaurant met parking. Gasten konden van die parking gebruikmaken zonder afzonderlijke vergoeding. In de overnachtingsprijs was ook ontbijt inbegrepen, al konden gasten daarvan afzien, in welk geval de prijs ervan in mindering werd gebracht. De onderneming ging ervan uit dat overnachting, ontbijt en parking samen één enkele prestatie vormden waarop het verlaagde tarief van 7 % van toepassing was.
In de tweede zaak bood een pensionuitbater uitsluitend overnachtingen met ontbijt aan tegen een vaste totaalprijs, ongeacht of de gasten effectief van het ontbijt gebruikmaakten.
In de derde zaak exploiteerde een onderneming twee hotels met onder meer parking en wifi en, in één van de hotels, ook fitness- en wellnessfaciliteiten. Gasten konden van die voorzieningen gebruikmaken zonder bijkomende vergoeding boven op de prijs van de overnachting.
De Duitse belastingadministratie volgde die benadering niet. Volgens haar moesten dergelijke prestaties van de huisvesting worden onderscheiden en dus aan het normale btw-tarief worden onderworpen.
Prejudiciële vragen
De verwijzende rechter wilde in essentie weten of artikel 98 btw-richtlijn, gelezen samen met punt 12 van bijlage III, zich verzet tegen een nationale regeling die prestaties zoals ontbijt, parking, wellness, fitness en wifi uitsluit van het verlaagde btw-tarief voor hotelaccommodatie, ook wanneer die prestaties als nevenprestaties bij die accommodatie kunnen worden beschouwd en mee worden vergoed via één vaste totaalprijs.
De vraag was dus niet zozeer of die prestaties economisch samenhangen met de huisvesting, maar wel of een lidstaat binnen de categorie “door hotels en dergelijke inrichtingen verstrekte accommodatie” selectief een verlaagd tarief mag toepassen op bepaalde onderdelen, terwijl andere onderdelen aan het normale tarief onderworpen blijven.
Overwegingen van het Hof
Lidstaten mogen selectief werken
Het Hof vertrekt van de basisregel van de btw-richtlijn. In beginsel geldt het normale btw-tarief. Verlaagde tarieven zijn uitzonderingen en mogen enkel worden toegepast op goederen en diensten die onder een categorie van bijlage III vallen.
Volgens vaste rechtspraak mogen lidstaten het verlaagde tarief beperken tot concrete en specifieke aspecten van zo’n categorie. Daarvoor moeten wel twee voorwaarden vervuld zijn:
• de afbakening moet objectief, duidelijk en nauwkeurig zijn
• het beginsel van fiscale neutraliteit moet worden gerespecteerd
Daar zit de kern. Een lidstaat moet het verlaagde tarief dus niet noodzakelijk toepassen op alles wat economisch met hotelaccommodatie samenhangt.
De Duitse regeling is voldoende afgebakend
Het Hof stelt vervolgens vast dat de Duitse regeling in beginsel voldoende duidelijk afbakent wat wel en niet onder het verlaagde tarief valt.
Het verlaagde tarief geldt voor de verhuur van woon- en slaapruimte voor kortstondige huisvesting, maar niet voor prestaties die niet rechtstreeks met die verhuur samenhangen. Daarnaast is er administratieve toelichting met lijsten van prestaties die wel en niet onder het verlaagde tarief vallen.
Volgens het Hof volstaat dat, al blijft de uiteindelijke beoordeling uiteraard aan de nationale rechter.
Het feit dat iets een nevenprestatie is, volstaat niet
Hier zit het belangrijkste punt van het arrest.
De verwijzende rechter vertrok van de gedachte dat verschillende betrokken prestaties economisch als nevenprestaties bij de accommodatie konden worden gezien. Klassiek zou men dan zeggen dat zij hetzelfde btw-lot volgen als de hoofdprestatie.
Het Hof doorbreekt die reflex. Wanneer een lidstaat zijn verlaagde tarief voldoende duidelijk heeft afgebakend, hoeft niet meer te worden onderzocht of de betrokken prestaties voor de gemiddelde consument deel uitmaken van één samengestelde prestatie.
Dat is een belangrijke nuance. Lidstaten kunnen dus (wetgevend) afwijken van het bijzaak volgt hoofdzaak principe.
Afbakening ten opzichte van Stadion Amsterdam
Het Hof verduidelijkt uitdrukkelijk dat dit arrest niet in strijd is met Stadion Amsterdam (C-463/16). In Stadion Amsterdam had de betrokken lidstaat geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om concrete en specifieke aspecten van een dienstencategorie afzonderlijk af te bakenen. Daarom bleef daar de klassieke vraag naar één enkele prestatie bepalend. In de gevoegde zaken C-409/24 tot en met C-411/24 lag dat anders, omdat Duitsland volgens het Hof wél zo’n selectieve afbakening had ingevoerd.
Eén totaalprijs verandert dat niet
Het Hof zegt ook uitdrukkelijk dat het feit dat verschillende elementen in één vaste totaalprijs zijn begrepen, op zich niet verhindert dat zij voor btw-doeleinden verschillend worden behandeld.
Fiscale neutraliteit blijft de grens
De vrijheid van de lidstaten is evenwel niet onbeperkt. De selectieve toepassing van een verlaagd tarief moet verenigbaar blijven met het beginsel van fiscale neutraliteit. Het Hof preciseert dat moet worden nagegaan of prestaties zoals ontbijt, parking, wellness, fitness of wifi, afzonderlijk beschouwd, vanuit het oogpunt van de gemiddelde consument vergelijkbaar zijn met dezelfde diensten die autonoom door een andere marktdeelnemer worden aangeboden. Wanneer zulke prestaties zich in een substitutierelatie bevinden, is het net logisch dat zij ook in het hotel aan het normale tarief worden onderworpen, voor zover diezelfde autonome diensten eveneens aan het normale tarief worden belast.
De kern van de beslissing
Het Hof besluit dat artikel 98 btw-richtlijn zich niet verzet tegen een nationale regeling waarbij prestaties die niet rechtstreeks de kortstondige huisvesting dienen, zoals ontbijt, parking, fitness, wellness of wifi, van het verlaagde btw-tarief voor accommodatie worden uitgesloten, ook wanneer zij als nevenprestaties bij die accommodatie worden beschouwd en in één totaalprijs zijn begrepen.
Voorwaarde is wel dat de nationale regeling concrete en specifieke aspecten van de betrokken categorie van diensten voldoende duidelijk afbakent en dat fiscale neutraliteit wordt gerespecteerd.
Commentaar
Dit arrest is belangrijk omdat het een klassieke en tegelijk vrij controversiële discussie in het btw-recht verder uitklaart. Traditioneel is het vertrekpunt dat een bijzaak voor de btw-behandeling in beginsel het lot van de hoofdzaak deelt.
Het Hof maakt nu nog eens duidelijk dat die redenering bij verlaagde btw-tarieven niet altijd opgaat. Een lidstaat mag het verlaagde tarief beperken tot welbepaalde onderdelen van een categorie van diensten, ook wanneer andere elementen economisch nauw met de hoofdprestatie samenhangen.
Daarmee is niet gezegd dat een bijzaak voortaan zomaar tegen een ander tarief kan worden belast dan de hoofdzaak. Zo ver gaat het arrest niet. Dat kan alleen wanneer de nationale regeling zelf voldoende duidelijk bepaalt welke prestaties onder het verlaagde tarief vallen en welke niet. Zonder zo’n concrete afbakening gaat die redenering niet op.
In theorie laat het Hof dus ruimte voor een meer selectieve benadering. In de praktijk is dat veel minder eenvoudig. Zodra men binnen één hotelprijs ontbijt, parking, wellness of wifi apart wil belasten, moet men ook kunnen bepalen welk deel van de prijs precies daarop slaat. Dan dringt zich onvermijdelijk een opsplitsing op.
Voor België komt dit arrest op een interessant moment. Eind 2025 besliste de federale regering om het btw-tarief voor het verschaffen van gemeubeld logies en voor het ter beschikking stellen van een plaats om te kamperen te verhogen van 6 % naar 12 % vanaf 1 maart 2026. De administratie bevestigde in haar FAQ van 17 februari 2026 dat het daarbij in wezen enkel gaat om een tariefverhoging, zonder wijziging van de bestaande regels over de afbakening van belaste en vrijgestelde logies. Wat vóór 1 maart 2026 onder de regels inzake belaste logies viel, blijft dus in beginsel onder diezelfde regeling vallen, met dien verstande dat waar vroeger 6 % werd toegepast, voortaan in de regel 12 % moet worden gelezen.
Die FAQ bevestigt bovendien vrij duidelijk de klassieke benadering waarbij de bijzaak de hoofdzaak volgt. Voor hotelverblijven wordt expliciet aangegeven dat bijkomende diensten zoals wifi, parking, sauna en gelijkaardige prestaties in de regel als bijzaak bij de hoofddienst worden beschouwd, zodat de volledige prestatie aan 12 % wordt onderworpen. Ook wordt uitdrukkelijk bevestigd dat het ontbijt dat de hotelgast ter plaatse nuttigt aan 12 % wordt belast. Voor campings volgt uit dezelfde FAQ een gelijkaardige benadering voor elektriciteit, water, gas en wifi wanneer zij samen met een kampeerplaats worden verstrekt.
Voorlopig blijft de Belgische administratie dus voor logies duidelijk vertrekken van de klassieke logica dat de bijzaak het lot van de hoofdzaak volgt. Het arrest van het Hof verandert dat niet.
De finale les lijkt ons dan ook deze. Het arrest verplicht België niet om zijn huidige benadering te wijzigen, maar bevestigt wel dat het Unierecht ruimte laat voor een meer selectieve afbakening van prestaties binnen de logiessector. Of België van die ruimte ooit gebruik zal maken, is uiteindelijk een beleidskeuze. Voorlopig blijft de Belgische lijn evenwel duidelijk: voor belaste logies volgt de bijzaak in de regel de hoofdprestatie en geldt dus in beginsel 12 %.
