Conclusie van advocaat generaal Maja Brkan van 25 februari 2026, zaak T-184/25
Achtergrond
Achtergrond
In herfinancieringsstructuren worden kredietportefeuilles vaak overgedragen, terwijl het dagelijkse beheer bij de oorspronkelijke bank blijft. Voor de kredietnemer verandert er weinig, maar btw-technisch verschuift de vraag naar de beheerfee die de bank na overdracht ontvangt. Kan die vergoeding nog vallen onder de vrijstelling voor “beheer van kredieten door degene die de kredieten verleent” in artikel 135, lid 1, b van de btw-richtlijn.
De advocaat generaal vindt alvast van niet. Volgens haar hangt de vrijstelling niet aan de historische rol van degene die het krediet ooit heeft toegekend, maar aan de actuele hoedanigheid van kredietgever op het moment dat het beheer wordt verricht. Wie na overdracht geen kredietgever meer is, verricht geen vrijgesteld kredietbeheer, maar levert een in beginsel belaste dienst aan de nieuwe kredietgever.
Wettelijk kader
De discussie speelt zich af binnen artikel 135, lid 1 van de btw-richtlijn, dat vrijstellingen bevat voor financiële diensten. In deze zaak zijn vooral drie bepalingen relevant.
Artikel 135, lid 1, b: verlening van kredieten en het beheer van kredieten door degene die de kredieten verleent.
Artikel 135, lid 1, c: handelingen betreffende borgstellingen en andere zekerheden, alsook het beheer van kredietgaranties door degene die de kredieten verleent.
Artikel 135, lid 1, d: handelingen betreffende onder meer vorderingen en betalingen.
Het sleutelwoord is de persoonsvoorwaarde in artikel 135, lid 1, b. De vrijstelling is niet ontworpen als een algemene vrijstelling voor kredietservicing, maar is gekoppeld aan de hoedanigheid van kredietgever.
Prejudiciële vragen
De verwijzende rechter wil in essentie weten of “degene die de kredieten verleent” moet worden begrepen als de oorspronkelijke kredietverstrekker die het krediet destijds heeft toegekend, dan wel als de partij die op het moment van het beheer kredietgever is.
Daarnaast rijst de vraag of het beheer eventueel toch onder een andere vrijstelling kan vallen, met name via de bepalingen inzake borgstellingen en andere zekerheden, of via handelingen betreffende vorderingen en betalingen.
Conclusie van de advocaat generaal
De advocaat generaal vertrekt van het feit dat de bewoording van artikel 135, lid 1, b geen eenduidig antwoord geeft. De verschillende taalversies wijzen niet allemaal dezelfde richting uit. Daarom baseert zij zich niet uitsluitend op de bewoording, maar op de doelstelling en de opzet van de vrijstelling, in het bijzonder op de vraag welke partij aan de persoonsvoorwaarde moet voldoen.
Daaruit volgt volgens haar een duidelijke keuze. Met “degene die de kredieten verleent” wordt de huidige kredietgever bedoeld, met andere woorden de partij die op het moment van het beheer de kredietpositie aanhoudt. Zodra de kredieten worden overgedragen, verschuift die hoedanigheid naar de overnemer. De oorspronkelijke bank beheert dan niet langer eigen kredieten, maar verricht een beheerdienst voor rekening van de kredietgever. Die dienst is in beginsel btw-belast.
Zij onderbouwt dit met twee centrale argumenten. Ten eerste fiscale neutraliteit: dezelfde beheersdienst mag niet vrijgesteld zijn wanneer zij door de verkoper wordt verricht, maar belast wanneer een andere dienstverlener ze verricht. Anders zou de keuze van dienstverlener btw-gedreven worden. Ten tweede het vermijden van misbruik: als de historische toekenning volstaat, wordt de persoonsvoorwaarde te gemakkelijk organiseerbaar en verliest zij haar begrenzende functie.
Ook voor alternatieve vrijstellingen is zij strikt. Artikel 135, lid 1, b is de specifieke bepaling voor kredietbeheer en kan niet worden omzeild via artikel 135, lid 1, c enkel omdat de kredieten als zekerheid dienen voor obligaties. Evenmin kan men het beheer onder artikel 135, lid 1, d brengen louter omdat bepaalde handelingen raakpunten hebben met schulden of betalingen.
Ten slotte verwerpt zij de redenering dat het beheer als bijkomstige prestatie zou kunnen delen in de vrijgestelde overdracht. Voor de overnemer is het beheer niet noodzakelijk onafscheidelijk van de verkoop. Het kan perfect door een andere partij worden uitgevoerd. Dat wijst op een zelfstandige dienst met een eigen btw-behandeling.
Commentaar
Deze conclusie is opnieuw een signaal dat financiële btw op lapwerk blijft draaien. Artikel 135 probeert securitisatie, servicing en kapitaalmarktlogica te vatten met begrippen uit de jaren zeventig. In de praktijk leidt dat tot wrijving en soms ook tot uitkomsten die verrassen. Juridisch is de lijn wel herkenbaar. De Advocaat-generaal leest “beheer van kredieten door degene die ze heeft toegekend” strikt, in lijn met de tendens in de rechtspraak. De uitkomst is streng: na verkoop van de kredieten wordt servicing een afzonderlijke, btw-belaste dienst. En uitwijken naar “garanties” of “schuldvorderingen” helpt hier niet, omdat de specifieke vrijstelling voor kredietbeheer als lex specialis die piste afsnijdt.
De conclusie bevestigt dus de strikte lezing van de vrijstellingen, maar de impact zal niet min zijn. In heel wat landen wordt servicing na overdracht vaak behandeld als een verlengstuk van de oorspronkelijke kredietverstrekking. De Advocaat-generaal maakt daar komaf mee. Zodra de kredieten worden overgedragen, is het beheer niet langer vrijgesteld als kredietbeheer door de kredietgever, maar een belaste dienstverlening aan de overnemer.
Dichter bij huis zet dit ook druk op de Belgische praktijk. In België wordt aanvaard dat de oorspronkelijke kredietverlener ook na overdracht de vrijstelling van artikel 44, § 3, 5° Btw-Wetboek kan toepassen op beheerdiensten aan de overnemer, terwijl gelijkaardig beheer door een derde in beginsel btw-belast is, zoals verwoord in circulaire 2018/C/49 van 24 april 2018.
Als het Hof de lijn van de Advocaat-generaal volgt, komt ook de Belgische praktijk opnieuw onder druk. Dit keer ligt de factuur bij de financiële sector. In herfinancieringsstructuren waar de overnemer een beperkt of geen recht op aftrek heeft, wordt btw op de beheerfee een echte kost en dus een directe knik op de rendabiliteit. De markt evolueert sneller dan de btw-regels. Zolang de wetgever niet bijstuurt, blijft de rechtspraak lapwerk leveren en blijven dit soort dossiers zich opstapelen.
