Wat was er aan de hand?
Het Hof oordeelde toen dat de aftrek thuishoort in het eerste tijdvak waarin alle voorwaarden voor de uitoefening ervan samen vervuld waren.
Een Poolse vennootschap, I. S.A., kocht onder meer gas en elektriciteit aan. De leveringen vonden plaats in een bepaald tijdvak, maar de facturen werden pas in het volgende tijdvak ontvangen. Dat gebeurde wel nog vóór de uiterste datum voor het indienen van de aangifte over het eerste tijdvak.
Concreet: de levering vindt plaats in maart, de factuur komt binnen in april, maar nog vóór de maartaangifte wordt ingediend. Mag de btw dan nog in maart worden afgetrokken, of pas in april?
De Poolse regeling liet aftrek in maart niet toe wanneer de factuur in maart nog niet was ontvangen.
Het arrest van het Gerecht
In zijn arrest van 11 februari 2026 in zaak T-689/24 oordeelde het Gerecht dat die regeling strijdig was met het Unierecht. Het Gerecht maakte daarbij een onderscheid tussen het ontstaan van het recht op aftrek en de uitoefening ervan.
Het recht op aftrek ontstaat wanneer de btw opeisbaar wordt. Voor de uitoefening ervan moet de belastingplichtige over een factuur beschikken. Volgens het Gerecht volgt daaruit niet noodzakelijk dat de factuur al tijdens het oorspronkelijke aangiftetijdvak moet zijn ontvangen. Wanneer de factuur vóór de indiening van de aangifte binnenkomt, zou de belastingplichtige de btw nog in het tijdvak van de levering kunnen aftrekken.
Het Gerecht verwees daarbij naar de beginselen van fiscale neutraliteit en evenredigheid. Anders zou de belastingplichtige tijdelijk de btw-last dragen, enkel omdat de factuur kort na het einde van het aangiftetijdvak werd ontvangen.
Het Hof opent een heroverweging
Prejudiciële vragen worden nog steeds bij het Hof ingediend. Het Hof beslist vervolgens of een zaak uitsluitend betrekking heeft op een van de overgedragen materies, waaronder btw, en dus door het Gerecht kan worden behandeld.
Tegen een prejudicieel arrest van het Gerecht bestaat geen hoger beroep. Het Hof kan zo’n arrest wel uitzonderlijk heroverwegen wanneer er een ernstig risico bestaat dat de eenheid of samenhang van het Unierecht wordt aangetast.
Op 26 maart 2026 besliste het Hof om dat in deze zaak te doen. Het is de tweede prejudiciële heroverweging sinds de invoering van het nieuwe systeem, na C-108/26 RX over luchtverkeersbeheer, en de eerste op btw-gebied.
Dat heeft ook een praktisch gevolg. Volgens artikel 62 ter van het Statuut wordt het antwoord van het Gerecht, wanneer een heroverwegingsprocedure is geopend, in beginsel pas bindend na afloop van die procedure. Als het Hof vaststelt dat de eenheid of samenhang van het Unierecht is aangetast, komt zijn antwoord in de plaats van dat van het Gerecht.
Zolang de procedure loopt, kan T-689/24 daarom niet als definitieve weergave van het Unierecht worden behandeld.
De analyse van Kokott
Advocaat-generaal Kokott ziet in de rechtspraak van het Hof een vaste lijn. Uit Terra Baubedarf-Handel uit 2004 en latere arresten, waaronder Senatex, A. en het recente Aptiv Services Hungary, volgt volgens haar dat de aftrek wordt uitgeoefend in het eerste tijdvak waarin twee voorwaarden samen vervuld zijn:
- de goederen zijn geleverd of de diensten zijn verricht en de btw is opeisbaar geworden;
- de belastingplichtige beschikt over de vereiste factuur.
Komt de factuur pas in een later aangiftetijdvak binnen, dan verschuift ook het tijdstip waarop de aftrek kan worden uitgeoefend. Het feit dat de aangifte over het eerdere tijdvak nog niet was ingediend, verandert volgens Kokott niets aan die regel.
Terra Baubedarf-Handel
Het Gerecht probeerde de zaak te onderscheiden van Terra Baubedarf-Handel. Volgens Kokott gaat dat onderscheid niet op. Ook daar waren de diensten in een eerder tijdvak verricht en werden de facturen pas later ontvangen.
Het Hof oordeelde toen dat de aftrek thuishoort in het eerste tijdvak waarin alle voorwaarden voor de uitoefening ervan samen vervuld waren.
Senatex en Aptiv
Senatex staat volgens Kokott niet haaks op deze benadering. In die zaak beschikte de belastingplichtige al over een factuur, die later werd verbeterd. De verbetering kon terugwerken naar het tijdvak van de oorspronkelijke factuur. In C-167/26 RX was er in het eerdere tijdvak nog geen factuur.
Ook Aptiv Services Hungary past volgens haar in hetzelfde kader. Aptiv beschermt de belastingplichtige tegen het verlies van aftrek omdat een factuur te laat wordt ontvangen. De huidige zaak gaat over een andere vraag: vanaf welk tijdvak kan de aftrek worden uitgeoefend?
Een laattijdige factuur mag de aftrek dus niet doen verdwijnen, maar brengt de aftrek volgens deze benadering ook niet terug naar een tijdvak waarin de belastingplichtige nog niet over de factuur beschikte.
Neutraliteit en evenredigheid
Volgens Kokott vereisen neutraliteit en evenredigheid niet dat de aftrek altijd wordt toegestaan in het vroegst mogelijke tijdvak.
In veel gevallen beschikt de belastingplichtige pas over de factuur wanneer ook de betaling of de boekhoudkundige verwerking wordt voorbereid. Er is dan volgens haar geen duidelijke reden om de aftrek te laten terugwerken naar een periode waarin de factuur nog niet beschikbaar was.
De klassieke regel is bovendien eenvoudig: de aftrek wordt uitgeoefend in het eerste tijdvak waarin zowel de btw opeisbaar is geworden als de factuur beschikbaar is. De benadering van het Gerecht zou de uitkomst meer afhankelijk maken van toevallige kalenderfactoren. Twee belastingplichtigen die dezelfde factuur op dezelfde dag ontvangen, zouden dan anders kunnen worden behandeld naargelang één van hen zijn aangifte al heeft ingediend en de andere nog niet.
Wat betekent dit voor het nieuwe systeem?
De overdracht van prejudiciële btw-zaken naar het Gerecht is een belangrijke hervorming. Het doel is duidelijk: de werklast beter verdelen én tegelijk binnen een redelijke termijn kwalitatieve rechtspraak blijven garanderen.
Toch toont zaak C 167/26 RX waarom een heroverwegingsmechanisme nodig blijft. Volgens advocaat-generaal Kokott week het Gerecht hier niet zomaar af op basis van een andere mogelijke interpretatie. Het zou zijn afgeweken van een bestaande rechtspraaklijn van het Hof; iets wat tot rechtsonzekerheid kan leiden.
Maar daar valt wel een kanttekening bij te plaatsen. De eerdere arresten waarop Kokott zich beroept, gingen niet over exact dezelfde situatie. Ze beantwoordden niet onmiddellijk de vraag of een factuur die pas in het volgende aangiftetijdvak wordt ontvangen, maar nog vóór de indiening van de aangifte over het eerdere tijdvak, toch aan dat eerdere tijdvak kan worden toegerekend. De vraag is dus hoe duidelijk die regel werkelijk al uit de bestaande rechtspraak volgde.
Met andere woorden: week het Gerecht echt af van vaste rechtspraak, of paste het die rechtspraak gewoon anders toe op een vraag die nog niet uitdrukkelijk was beantwoord?
Tegelijk benadrukt Kokott dat heroverweging uitzonderlijk moet blijven. Het Hof mag niet systematisch zijn eigen oordeel in de plaats stellen van dat van het Gerecht. De procedure is geen verkapte hoge beroepsprocedure. Het Hof grijpt alleen in wanneer een uitspraak ernstige rechtsonzekerheid creëert of moeilijk te verenigen is met fundamentele beginselen of bestaande rechtspraak.
Dat roept wel een bredere vraag op: wat gebeurt er met afwijkingen die minder duidelijk zijn?
Voor de praktijk is dat geen onbelangrijk gegeven. Een prejudicieel arrest van het Gerecht geeft niet noodzakelijk meteen de definitieve positie van het Unierecht weer. Zeker wanneer een arrest een nieuwe lijn lijkt in te luiden, is het verstandig na te gaan hoe die lijn zich verhoudt tot eerdere rechtspraak van het Hof.
Tot slot
De conclusie van advocaat-generaal Kokott bindt het Hof niet. Ze is wel duidelijk. Als het Hof haar volgt, wordt de klassieke regel bevestigd dat het recht op aftrek ontstaat wanneer de btw opeisbaar wordt, maar pas kan worden uitgeoefend in het eerste tijdvak waarin de belastingplichtige ook over de factuur beschikt.
C-167/26 RX is daarnaast de eerste btw-zaak waarin zichtbaar wordt hoe de verhouding tussen het Hof en het Gerecht werkt wanneer hun rechtspraak uit elkaar dreigt te lopen. Ook daarom is het een zaak om verder op te volgen.
Deze bijdrage is verschenen op TaxWin (te raadplegen op taxwin)
