Tijdelijk gebruik van goederen in andere lidstaten: nieuwe administratieve visie op de niet-overbrengingsregeling

May 19
In een nieuwe administratieve circulaire van 7 mei 2026 (2026/C/60) heeft de Belgische btw-administratie haar standpunt verduidelijkt over de niet-overbrengingsregeling bij het tijdelijk gebruik van goederen in een andere lidstaat.

De aanleiding voor deze wijziging ligt in het arrest CHEP Equipment Pooling NV (C-242/19). In die zaak ging het om het tijdelijk gebruik van verhuurde pallets in een andere lidstaat. Het Hof van Justitie aanvaardde dat er onder voorwaarden geen sprake was van een intracommunautaire overbrenging, maar benadrukte dat de goederen moeten worden verzonden of vervoerd vanuit de lidstaat waar de belastingplichtige is gevestigd.

De Belgische btw-administratie trekt nu, meerdere jaren na het arrest, duidelijke gevolgen uit deze rechtspraak.

De impact kan ruimer zijn dan de specifieke feiten van de CHEP-zaak. In de praktijk verzenden veel ondernemingen vanuit Belgische distributiecentra of logistieke hubs tijdelijk goederen naar andere lidstaten. Dit betreft onder meer verhuur, leasing, technische interventies, pooling, demonstratiegoederen of tijdelijke terbeschikkingstelling van materieel.

Voor ondernemingen die in België enkel over een btw-identificatie beschikken, maar hier niet gevestigd zijn, kan de wijziging dus aanleiding geven tot een herbeoordeling van bestaande goederenstromen.

Achtergrond

Artikel 12bis, tweede lid, 5°, Btw-Wetboek bepaalt dat de tijdelijke verzending of het tijdelijke vervoer van goederen vanuit België naar een andere lidstaat niet wordt beschouwd als een overbrenging wanneer de goederen:
  • tijdelijk worden gebruikt in een andere lidstaat;
  • worden gebruikt voor een dienstverrichting;
  • behoren tot het bedrijf van de belastingplichtige;
  • na het tijdelijke gebruik terugkeren naar België.

In de praktijk werd deze regeling vroeger ruimer toegepast. Ook ondernemingen zonder Belgische vestiging, maar met een Belgisch btw-nummer, konden zich in bepaalde situaties beroepen op deze niet-overbrengingsregeling.

Nieuwe administratieve interpretatie

De administratie beperkt nu expliciet het toepassingsgebied van de niet-overbrengingsregeling.

Voortaan kan de regeling enkel worden toegepast wanneer de goederen worden verzonden of vervoerd vanuit de lidstaat waar de betrokken belastingplichtige is gevestigd. Een loutere btw-identificatie in de lidstaat van vertrek volstaat dus niet.

Voor goederen die vanuit België tijdelijk naar een andere lidstaat worden verzonden, betekent dit dat de uitzondering in principe enkel mogelijk blijft voor belastingplichtigen die in België gevestigd zijn. Ondernemingen die in België enkel over een btw-nummer beschikken, maar hier niet gevestigd zijn, zullen zich voor dergelijke uitgaande goederenbewegingen dus niet langer op deze regeling kunnen beroepen.

Dezelfde redenering geldt voor inkomende goederenbewegingen naar België. De bestemming van goederen in België wordt enkel niet met een intracommunautaire verwerving gelijkgesteld wanneer de goederen tijdelijk in België worden gebruikt door een belastingplichtige die gevestigd is in de lidstaat van vertrek.

Daarnaast blijven de overige voorwaarden onverkort gelden. De goederen moeten tijdelijk worden gebruikt in het kader van een dienstverrichting, moeten behoren tot het bedrijf van de belastingplichtige en moeten na het tijdelijke gebruik terugkeren naar de lidstaat van vertrek.

Mogelijke impact

Wanneer de regeling niet kan worden toegepast, kan dat leiden tot bijkomende btw-registraties, extra rapportering en bijkomende btw-complianceverplichtingen.

De impact is vooral relevant voor ondernemingen die goederen tijdelijk vanuit België naar andere lidstaten sturen zonder dat zij in België gevestigd zijn. Dit kan onder meer relevant zijn voor:
  • technische servicebedrijven;
  • verhuur- en leasingstructuren;
  • bouw- en installatiebedrijven;
  • logistieke spelers;
  • producenten met demonstratie- of testmateriaal;
  • ondernemingen die IT-, kantoor- of professioneel materieel tijdelijk inzetten in andere lidstaten;
  • groepen die werken met pallets, containers, kratten of andere poolingmaterialen.

Dit is in het bijzonder relevant voor ondernemingen die werken met Belgische distributiecentra of logistieke hubs en daarbij enkel beschikken over een Belgische btw-identificatie.

Inwerkingtreding

De gewijzigde administratieve visie geldt vanaf de publicatie van circulaire 2026/C/60 op 7 mei 2026.

Deze bijdrage is verschenen op TaxWin (te raadplegen op taxwin)