Hof van Cassatie maakt komaf met eis van “onmiddellijke” uitvoer voor btw-vrijstelling bij export

Dec 8
Het Hof van Cassatie heeft zich in een belangrijk arrest uitgesproken over de toepassing van de btw-vrijstelling bij uitvoer (artikel 39, § 1, 2° Btw wetboek, Cass. 23 oktober 2025, F.23.0108.N). De kernvraag was of de tijd die verloopt tussen levering en uitvoer, en het ontbreken van een ‘onmiddellijke’ uitvoer, op zichzelf een belemmering kan vormen voor de vrijstelling.

Het Hof oordeelt dat de Belgische administratie hiervoor geen wettelijke basis heeft. In duidelijke bewoordingen bevestigt Cassatie dat “noch artikel 39, § 1, 2° BTW-Wetboek noch de bepalingen van het KB nr. 18 een termijn opleggen binnen dewelke na de levering van het goed tot uitvoer moet worden overgegaan”.
Casus: uitvoer niet “onmiddellijk”, administratie weigert vrijstelling

De btw-vrijstelling inzake uitvoer geldt voor “leveringen van goederen die door of voor rekening van de verkoper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap” en voor “leveringen van goederen die door of voor rekening van een niet in België gevestigde koper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap” (artikel 39, § 1, 1° en 2° Btw wetboek).

Volgens de btw-administratie vereist de vrijstelling evenwel dat de uitvoer “onmiddellijk” na de terbeschikkingstelling wordt verricht en “in elk geval, binnen de termijn die strikt nodig is om de goederen te vervoeren” van de plaats waar ze ter beschikking worden gesteld tot het douanekantoor van uitgang (aanschrijving nr. E.T.97.794 van 1 maart 2001).

In de zaak die tot het cassatiearrest leidde, weigerde de administratie de vrijstelling voor de uitvoer van een paard naar de VS omdat de uitvoer pas meer dan zes maanden na de aankoop plaatsvond. Het hof van beroep te Antwerpen oordeelde echter dat dit geen reden was om de vrijstelling te weigeren, aangezien het Btw wetboek noch KB nr. 18 “een termijn bepalen binnen dewelke de uitvoer dient plaats te vinden om recht te kunnen doen gelden op de vrijstelling van BTW” (Antwerpen 20 juni 2023). De administratie tekende cassatieberoep aan, maar kreeg ongelijk.

Hof van Cassatie: strikte interpretatie door de fiscus houdt geen stand

Het Hof van Cassatie verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de administratie geen bijkomende voorwaarden kan opleggen zonder wettelijke basis. In zijn motivering benadrukt het Hof vier essentiële punten.

1. Geen wettelijke termijn voor uitvoer, ook niet impliciet

Cassatie stelt uitdrukkelijk dat “noch artikel 39, § 1, 2° BTW-Wetboek noch de bepalingen van het KB nr. 18 een termijn opleggen binnen dewelke na de levering van het goed tot uitvoer moet worden overgegaan”.

Belangrijk is dat het Hof ook preciseert dat zo een termijn “ook niet impliciet besloten” ligt in de opeisbaarheidsregels. Cassatie verwoordt dit als volgt: een dergelijke termijn ligt “ook niet impliciet besloten in de artikelen 14, 16 en 17 BTW-Wetboek krachtens dewelke voor leveringen van goederen het belastbaar feit plaatsvindt en de belasting opeisbaar wordt op het tijdstip waarop de levering van het goed wordt verricht, aangezien er bij uitvoer geen sprake is van een belastbare levering en de vrijstelling voor uitvoer het belastbaar feit neutraliseert”.

2. “Onmiddellijke uitvoer” is geen wettelijke voorwaarde

De administratie voerde aan dat de btw-vrijstelling enkel kan gelden indien de uitvoer onmiddellijk na de terbeschikkingstelling plaatsvindt. Cassatie is hierover kort en duidelijk: het middel “faalt naar recht” in zoverre het aanvoert “dat … de vrijstelling wegens uitvoer enkel kan gelden indien de uitvoer onmiddellijk na de terbeschikkingstelling van het goed wordt verricht”.

3. EU rechtspraak: geen vereiste van een voldoende temporeel en materieel verband

Cassatie verwijst naar artikel 146, lid 1, sub b van Richtlijn 2006/112/EG en sluit aan bij het arrest BDV Hungary Trading (C 563/12, 19 december 2013). Het Hof benadrukt dat de richtlijn voor de toepassing van de vrijstelling bij uitvoer niet als voorwaarde stelt dat het exportgoed het grondgebied van de Unie binnen een bepaalde termijn moet hebben verlaten.

Daarnaast preciseert Cassatie dat uit de Europese rechtspraak niet volgt dat de belastingplichtige, om de vrijstelling te kunnen genieten, minstens een voldoende temporeel en materieel verband moet aantonen tussen het tijdstip van de levering en het tijdstip waarop het goed het grondgebied van de Unie effectief verlaat. Met andere woorden: het loutere tijdsverloop kan op zichzelf geen grond zijn om de vrijstelling te weigeren, zodra het effectieve vertrek buiten de Unie sluitend is aangetoond.

4. Aanschrijving E.T.97.794 kan geen voorwaarden toevoegen, legaliteitsbeginsel

De fiscus steunde op aanschrijving nr. E.T.97.794 van 1 maart 2001, die voor de vrijstelling een “onmiddellijke” uitvoer vooropstelt, of minstens uitvoer binnen de strikt noodzakelijke vervoerstermijn. Het hof van beroep oordeelde dat deze aanschrijving een voorwaarde toevoegt die niet in artikel 39 Btw-wetboek of KB nr. 18 is opgenomen, zodat zij geen bindende voorwaarden kan opleggen. Cassatie bevestigt dat het afhankelijk stellen van de vrijstelling van een eis van onmiddellijke uitvoer, zonder wettelijke basis, strijdig is met het legaliteitsbeginsel.

Commentaar

De bewijslast voor de toepassing van de btw-vrijstelling rust op de belastingplichtige die de vrijstelling toepast. Hij moet kunnen aantonen waarom geen btw wordt aangerekend en dat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Bij uitvoer wegen douanedocumenten doorgaans het zwaarst door.

In controles hanteert de administratie geregeld een strikte benadering en verwijst zij naar administratieve richtlijnen om bijkomende voorwaarden te onderbouwen.

Dit arrest bevestigt evenwel dat dergelijke richtlijnen geen voorwaarden kunnen invoeren die niet in het wetboek zijn verankerd.

Voor uitvoertransacties is de boodschap duidelijk: het ontbreken van “onmiddellijke” uitvoer, of een louter tijdsverloop tussen levering en uitvoer, kan op zichzelf de vrijstelling niet uitsluiten. Doorslaggevend blijft dat de goederen het douanegebied van de Unie effectief hebben verlaten.

Dit arrest biedt ondernemingen bijkomende argumenten om onterechte btw naheffingen te betwisten wanneer die uitsluitend steunen op administratieve circulaires, zonder wettelijke basis in het Btw wetboek of de koninklijke besluiten.

Deze bijdrage is verschenen op TaxWin (te raadplegen op taxwin .be)