Update: strengere btw-regels voor tijdelijk gebruik van goederen uitgesteld tot 1 juli 2028

Sep 16
In mei 2026 berichtten we over een belangrijke wijziging in het standpunt van de Belgische btw-administratie over het tijdelijk gebruik van goederen in een andere lidstaat.

Wanneer een onderneming fysiek goederen verplaatst van één lidstaat naar een andere, moet er vaak een overbrenging worden gerapporteerd. Dit leidt dan tot een btw-registratieverplichting (in zowel de lidstaat van vertrek als de lidstaat van aankomst). Een uitzondering op deze regel vormen de zogenaamde “niet-overbrengingen”.

Tot voor kort aanvaardde de Belgische administratie dat er geen overbrenging moest worden gerapporteerd bij de transfer van goederen in het kader van een dienstverrichting.

In circulaire 2026/C/60 van 7 mei 2026 stelde de administratie zich op het standpunt dat deze niet-overbrengingsregeling enkel kan worden toegepast wanneer de goederen worden verzonden of vervoerd vanuit de lidstaat waar de betrokken belastingplichtige is gevestigd. Een loutere btw-identificatie in de lidstaat van vertrek zou dus niet langer volstaan.

Dat standpunt kon belangrijke gevolgen hebben voor buitenlandse ondernemingen die niet in België gevestigd zijn, maar wel een Belgisch btw-nummer hebben en vanuit een Belgisch distributiecentrum of magazijn tijdelijk goederen naar andere lidstaten sturen.

De minister heeft nu beslist om de toepassing van dit onderdeel van circulaire 2026/C/60 uit te stellen tot 1 juli 2028.
Wat geldt tot en met 30 juni 2028?

Tot en met 30 juni 2028 blijft de vroegere, ruimere toepassing van de niet-overbrengingsregeling mogelijk.
Wanneer goederen vanuit België tijdelijk naar een andere lidstaat worden gebracht om daar te worden gebruikt in het kader van een dienst, volstaat het dat de betrokken belastingplichtige voor btw-doeleinden in België is geïdentificeerd. Het is voorlopig dus niet vereist dat de belastingplichtige ook in België is gevestigd.

De overige voorwaarden van artikel 12bis, tweede lid, 5°, Btw-Wetboek blijven uiteraard gelden. De goederen moeten onder meer:

  • slechts tijdelijk in de andere lidstaat worden gebruikt;
  • worden gebruikt in het kader van een dienstverrichting;
  • behoren tot het bedrijf van de belastingplichtige; en
  • na het tijdelijke gebruik terugkeren.

De belastingplichtige moet daarnaast de verzending of het vervoer van de goederen opnemen in zijn boekhouding.

Deze boekhoudkundige registratie geldt als het houden van het register van niet-overbrengingen. Voor bepaalde goederen geldt hierop een uitzondering.

Wel is er nog een belangrijke voorwaarde. De bevoegde fiscale autoriteiten van de lidstaat waar de goederen tijdelijk worden gebruikt, moeten dezelfde behandeling aanvaarden. De belastingplichtige moet dit op vraag van de Belgische administratie kunnen aantonen.

Het Belgische uitstel betekent dus niet automatisch dat de regeling zonder verdere analyse in elke andere lidstaat kan worden toegepast.

Wat betekent dit in de praktijk?

Het uitstel is in de praktijk vooral relevant voor ondernemingen die vanuit Belgische distributiecentra of logistieke hubs tijdelijk goederen naar andere lidstaten sturen zonder zelf in België gevestigd te zijn. Dit kan bijvoorbeeld spelen bij:

  • verhuur- en leasingstructuren;
  • hardware die tijdelijk bij klanten wordt geplaatst in het kader van dienstverlening;
  • technische apparatuur en reserveonderdelen;
  • demonstratie- en testmateriaal;
  • machines of apparatuur die tijdelijk voor installatie- of onderhoudswerken worden ingezet;
  • pallets, containers, kratten en andere poolingmaterialen.

Onder de strengere interpretatie van circulaire 2026/C/60 zouden dergelijke goederenbewegingen in bepaalde gevallen als intracommunautaire overbrengingen moeten worden behandeld. Dat kan bijkomende btw-registraties, intracommunautaire rapportering en andere complianceverplichtingen tot gevolg hebben.

Door het uitstel kan de bestaande behandeling voorlopig behouden blijven. De btw-behandeling in de lidstaat van bestemming moet wel telkens worden nagegaan.

Vanaf 1 juli 2028

Zoals de regeling nu voorligt, zal de strengere administratieve interpretatie vanaf 1 juli 2028 worden toegepast.
Vanaf dat moment zou een Belgische btw-identificatie op zich niet langer volstaan. Voor goederen die tijdelijk vanuit België naar een andere lidstaat worden gestuurd, zal de niet-overbrengingsregeling in principe alleen nog kunnen worden toegepast wanneer de betrokken belastingplichtige in België is gevestigd.

Ondernemingen die vandaag gebruikmaken van de ruimere regeling krijgen dus bijkomende tijd om hun goederenstromen in kaart te brengen en na te gaan welke btw-gevolgen de strengere interpretatie vanaf 1 juli 2028 voor hen kan hebben.

Voor tijdelijke grensoverschrijdende goederenbewegingen blijft het belangrijk om zowel de Belgische behandeling als de positie in de betrokken andere lidstaat te bekijken.

Bron: circulaire 2026/C/60 van 7 mei 2026 en de administratieve update van 15 september 2026.

Deze bijdrage is verschenen op TaxWin (te raadplegen op taxwin)