Wat geldt tot en met 30 juni 2028?
Tot en met 30 juni 2028 blijft de vroegere, ruimere toepassing van de niet-overbrengingsregeling mogelijk.
Wanneer goederen vanuit België tijdelijk naar een andere lidstaat worden gebracht om daar te worden gebruikt in het kader van een dienst, volstaat het dat de betrokken belastingplichtige voor btw-doeleinden in België is geïdentificeerd. Het is voorlopig dus niet vereist dat de belastingplichtige ook in België is gevestigd.
De overige voorwaarden van artikel 12bis, tweede lid, 5°, Btw-Wetboek blijven uiteraard gelden. De goederen moeten onder meer:
- slechts tijdelijk in de andere lidstaat worden gebruikt;
- worden gebruikt in het kader van een dienstverrichting;
- behoren tot het bedrijf van de belastingplichtige; en
- na het tijdelijke gebruik terugkeren.
De belastingplichtige moet daarnaast de verzending of het vervoer van de goederen opnemen in zijn boekhouding.
Deze boekhoudkundige registratie geldt als het houden van het register van niet-overbrengingen. Voor bepaalde goederen geldt hierop een uitzondering.
Deze boekhoudkundige registratie geldt als het houden van het register van niet-overbrengingen. Voor bepaalde goederen geldt hierop een uitzondering.
Wel is er nog een belangrijke voorwaarde. De bevoegde fiscale autoriteiten van de lidstaat waar de goederen tijdelijk worden gebruikt, moeten dezelfde behandeling aanvaarden. De belastingplichtige moet dit op vraag van de Belgische administratie kunnen aantonen.
Het Belgische uitstel betekent dus niet automatisch dat de regeling zonder verdere analyse in elke andere lidstaat kan worden toegepast.
Wat betekent dit in de praktijk?
Het uitstel is in de praktijk vooral relevant voor ondernemingen die vanuit Belgische distributiecentra of logistieke hubs tijdelijk goederen naar andere lidstaten sturen zonder zelf in België gevestigd te zijn. Dit kan bijvoorbeeld spelen bij:
- verhuur- en leasingstructuren;
- hardware die tijdelijk bij klanten wordt geplaatst in het kader van dienstverlening;
- technische apparatuur en reserveonderdelen;
- demonstratie- en testmateriaal;
- machines of apparatuur die tijdelijk voor installatie- of onderhoudswerken worden ingezet;
- pallets, containers, kratten en andere poolingmaterialen.
Onder de strengere interpretatie van circulaire 2026/C/60 zouden dergelijke goederenbewegingen in bepaalde gevallen als intracommunautaire overbrengingen moeten worden behandeld. Dat kan bijkomende btw-registraties, intracommunautaire rapportering en andere complianceverplichtingen tot gevolg hebben.
Door het uitstel kan de bestaande behandeling voorlopig behouden blijven. De btw-behandeling in de lidstaat van bestemming moet wel telkens worden nagegaan.
Vanaf 1 juli 2028
Zoals de regeling nu voorligt, zal de strengere administratieve interpretatie vanaf 1 juli 2028 worden toegepast.
Vanaf dat moment zou een Belgische btw-identificatie op zich niet langer volstaan. Voor goederen die tijdelijk vanuit België naar een andere lidstaat worden gestuurd, zal de niet-overbrengingsregeling in principe alleen nog kunnen worden toegepast wanneer de betrokken belastingplichtige in België is gevestigd.
Ondernemingen die vandaag gebruikmaken van de ruimere regeling krijgen dus bijkomende tijd om hun goederenstromen in kaart te brengen en na te gaan welke btw-gevolgen de strengere interpretatie vanaf 1 juli 2028 voor hen kan hebben.
Voor tijdelijke grensoverschrijdende goederenbewegingen blijft het belangrijk om zowel de Belgische behandeling als de positie in de betrokken andere lidstaat te bekijken.
Bron: circulaire 2026/C/60 van 7 mei 2026 en de administratieve update van 15 september 2026.
Deze bijdrage is verschenen op TaxWin (te raadplegen op taxwin)
