Transfer pricing en btw: Kokott zet de lijnen scherper na Arcomet

Jan 19
Op 15 januari 2026 publiceerde advocaat generaal Kokott haar conclusie in Stellantis Portugal (C-603/24). De zaak is relevant omdat zij een spanningsveld belicht dat sinds het arrest Arcomet Towercranes (C-726/23) steeds nadrukkelijker naar voren komt: hoe btw moet omgaan met transfer pricing aanpassingen die binnen een groep worden toegepast om de winsttoedeling te normaliseren volgens het arm’s length beginsel.

In Arcomet ging het om een ondernemingsgroep actief in de kraanverkoop en – verhuur. Er was een transfer pricing policy opgesteld op basis waarvan een Roemeense dochter werd vergoed voor haar activiteiten op basis van een vastgestelde winstmarge. De Belgische moeder verleende centrale ondersteunende diensten, waaronder het onderhandelen van contractvoorwaarden met derden. Op het einde van het jaar moesten er afrekeningen gebeuren afhankelijk van de gerealiseerde winst. De vraag was of dergelijke de betalingen die er aldus plaatsvonden konden worden aangemerkt als vergoeding voor een dienst. Het Hof kwam tot een vrij rechtlijnige uitkomst nadat het de prejudiciële vraag herformuleerde: de TP aanpassingen hadden betrekking op diensten die door de Belgische moeder aan de Roemeense dochter werden verstrekt. Die benadering liet echter het onderliggende vraagstuk grotendeels onbeantwoord. In de praktijk werd het arrest nadien regelmatig ingeroepen om uiteenlopende transfer pricing correcties sneller in de sfeer van belastbare diensten te plaatsen.

Kokott probeert in Stellantis die reflex te temperen. Zij vertrekt opnieuw van het kernprincipe van de btw: niet elke kasstroom is een vergoeding en niet elke true up, dat wil zeggen een periodieke TP afrekening waarbij de interne prijs wordt bijgestuurd om de beoogde arm’s length marge te halen, impliceert een dienst.

Eerst moet worden vastgesteld wat juridisch en economisch wordt aangepast.

Indien enkel de tegenprestatie voor een eerdere, concrete levering wijzigt, dan bevindt men zich binnen het systeem van de maatstaf van heffing zoals geregeld in artikelen 73 en 90 van de btw richtlijn, en niet bij een afzonderlijke dienst.

Achtergrond

Transfer pricing is in essentie een techniek van de vennootschapsbelasting. Zij beoogt winsten toe te delen volgens het arm’s length beginsel en werkt met methodes, aannames en bandbreedtes. Ex post correcties zijn daardoor in veel modellen ingebouwd.

Btw vertrekt van een ander uitgangspunt. Zij belast concrete leveringen van goederen en diensten onder bezwarende titel. Voor een belastbare dienst is vereist dat er een rechtsbetrekking bestaat met wederzijdse prestaties en een rechtstreeks verband tussen prestatie en vergoeding. De maatstaf van heffing is in beginsel de subjectieve vergoeding die partijen zijn overeengekomen, niet een achteraf geconstrueerde normale waarde.

De wrijving ontstaat wanneer een transfer pricing correctie verband houdt met activiteiten binnen de groep, maar het verband met welbepaalde leveringen of diensten niet zuiver of niet evident is. Op dat moment dringt de vraag naar de btw-behandeling zich op: betreft het een prijsaanpassing van een eerdere levering, of gaat het om een vergoeding voor een nieuwe prestatie, dan wel om een vergoeding die buiten de werkingssfeer van de btw valt.

Feiten

Stellantis Portugal kocht voertuigen van fabrikanten binnen de General Motors groep en verkocht deze door aan onafhankelijke Portugese dealers, die de voertuigen vervolgens aan eindklanten verkochten.

Bij fabrieksdefecten voerden de dealers herstellingen uit en factureerden zij de kosten, met btw, aan Stellantis Portugal. Stellantis Portugal droeg deze kosten en maakte daarnaast eigen distributiekosten zoals personeel, marketing en infrastructuur.

Binnen de groep gold een transfer pricing overeenkomst die tot doel had dat Stellantis Portugal een vooraf bepaald operationeel resultaat behaalde. De interne aankoopprijs werd initieel vastgesteld op basis van verwachte externe verkoopprijzen, verminderd met distributiekosten en een beoogde operationele winst. Na afloop van elke referentieperiode werd de prijs aangepast zodat het gerealiseerde resultaat opnieuw aansloot bij de doelstelling.

Die prijsaanpassing werd vastgelegd via creditnota’s of debetnota’s uitgereikt door de fabrikanten aan Stellantis Portugal. In het betrokken jaar leidde dit tot een prijsverlaging en een terugbetaling.

De Portugese belastingadministratie beschouwde die terugbetaling niet als een prijsaanpassing van de voertuigen, maar als de vergoeding voor binnenlandse diensten van Stellantis Portugal aan de fabrikanten, met name distributie en garantieafhandeling. Zij legde bijkomende btw-aanslagen op.

Stellantis vocht deze aanslagen aan. Na procedures in Portugal werd de kwestie via een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie voorgelegd.

De prejudiciële vraag

De verwijzende rechter vroeg of artikel 2 van de Btw richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het begrip “dienst onder bezwarende titel” ook een contractueel voorziene en via creditnota of debetnota gedocumenteerde aanpassing van de verkoopprijs van voertuigen omvat, die bedoeld is om een minimumwinstmarge te realiseren.

Analyse: Kokott plaatst Arcomet casus in context

1. Een prijsaanpassing is geen afzonderlijke dienst

Kokott vertrekt van een eenvoudig uitgangspunt: een aanpassing van de prijs van een eerdere levering is op zichzelf geen dienst. Een afnemer verricht geen dienst doordat hij achteraf meer of minder betaalt. De btw-analyse mag dus niet vertrekken van de geldstroom, maar van wat juridisch en economisch werkelijk gebeurt.

Zij maakt dat concreet door te wijzen op de tweerichtingswerking van het contractuele prijsmechanisme. De correctie kan, afhankelijk van het behaalde resultaat, uitmonden in een terugbetaling door de fabrikant aan Stellantis Portugal, maar even goed in een bijbetaling door Stellantis Portugal aan de fabrikant. Indien men de terugbetaling als vergoeding voor een dienst van Stellantis Portugal aan de fabrikant zou kwalificeren, dan volgt daaruit logisch dat de bijbetaling eveneens binnen hetzelfde dienstenkader moet worden geplaatst. In dat geval zou Stellantis Portugal geacht worden een dienst te verrichten waarvoor zij zelf betaalt. Dat komt neer op een kunstmatige constructie: een dienst waarvoor de zogezegde dienstverrichter in werkelijkheid zelf zou betalen. Dat is moeilijk te verzoenen met de logica van de btw als verbruiksbelasting.

2. Het dragen van kosten is geen autonome prestatie

De Portugese administratie leidde uit het feit dat Stellantis Portugal garantie en distributiekosten droeg af dat zij daarmee diensten zou verrichten ten gunste van de OEM’s. Kokott wijst die redenering af.

Het louter dragen of terugbetaald krijgen van kosten is geen belastbare handeling: btw viseert prestaties, niet betalingen als dusdanig, en een vergoeding is slechts relevant wanneer zij wordt betaald als tegenwaarde voor een identificeerbare levering of dienst. In casu handelt Stellantis in haar eigen hoedanigheid van distributeur en verkoper in de keten. Dat die kosten via een interne prijsformule meewegen in de uiteindelijke aankoopprijs, volstaat niet om daaruit een afzonderlijke dienst aan de fabrikant af te leiden.

3. De kernvraag: wat is de btw behandeling van transfer pricing bijsturingen

Volgens Kokott is het fundamentele punt dat transfer pricing bijsturingen niet automatisch in één categorie thuishoren. Het volstaat niet om een correctie reflexmatig als dienst of als btw irrelevante betaling te kwalificeren. De juiste benadering is eerst vaststellen wat precies wordt gecorrigeerd en via welk mechanisme, en pas daarna de btw-gevolgen bepalen.

Zij onderscheidt daarbij drie categorieën.

Categorie 1: vergoeding voor een reële, afzonderlijke dienst

Wanneer partijen daadwerkelijk een concrete dienst overeenkomen, met een rechtsbetrekking en een rechtstreeks verband tussen prestatie en vergoeding, kan sprake zijn van een dienst onder bezwarende titel. Transfer pricing kan in dat geval fungeren als prijszettingsmechanisme, maar dit veronderstelt een reële prestatie en een aantoonbare tegenwaarde. Loutere interne facturatie om winst te sturen volstaat niet.

Categorie 2: eenzijdige correctie door de fiscus in de vennootschapsbelasting

Een transfer pricing correctie die door de fiscus eenzijdig wordt opgelegd voor vennootschapsbelastingdoeleinden, wijzigt in beginsel niet de contractueel overeengekomen tegenprestatie. Kokott koppelt dit aan de symmetrie van het btw-stelsel. Een aanpassing van de maatstaf van heffing moet bij beide partijen doorwerken, zowel aan de outputzijde als aan de aftrekzijde. Die symmetrie ontbreekt bij eenzijdige winstbelastingcorrecties, zodat zij in beginsel buiten de btw blijven.

Categorie 3: contractueel variabele prijs voor concrete leveringen

Waar de prijs contractueel variabel is en achteraf wordt vastgesteld op basis van vooraf vastgelegde parameters, gaat het om een aanpassing van de tegenprestatie voor de oorspronkelijke levering. Dat is het terrein van de maatstaf van heffing, met artikel 90 bij prijsvermindering en artikel 73 bij latere prijsverhoging. In zo’n geval kan dezelfde bijsturing niet tegelijk worden herleid tot een afzonderlijke dienst.

Commentaar

De meerwaarde van de conclusie van Kokott zit vooral in het analytisch kader dat zij aanreikt. Zij erkent de raakvlakken tussen transfer pricing en btw, maar zij dringt aan op een trapsgewijze analyse.

Eerst moet men nagaan of er sprake is van een echte, identificeerbare prestatie die als afzonderlijke dienst kan worden gekwalificeerd, met een vergoeding als werkelijke tegenwaarde. Alleen dan komt btw-heffing op een dienst in beeld.

Is dat niet het geval, dan moet men kijken of de bijsturing in werkelijkheid een contractueel variabele prijs betreft voor concrete leveringen. Dat scenario hoort thuis in de maatstaf van heffing: artikel 90 bij prijsvermindering en artikel 73 voor wat de leverancier uiteindelijk als tegenprestatie verkrijgt. Dat is iets anders dan een herkwalificatie naar diensten.

En wanneer het louter gaat om een eenzijdige winstcorrectie in de sfeer van de vennootschapsbelasting, blijft dit in beginsel buiten de btw.

Voor ondernemingen die op het einde van een periode met true ups werken, draait het in de praktijk vooral om consistentie. Wanneer de bijsturing ertoe strekt de aankoopprijs van concrete goederen achteraf te laten aansluiten bij vooraf vastgelegde parameters, gaat het in wezen om een prijsaanpassing. Dan hoort zij ook zo te worden behandeld, met de btw-correcties die daaruit volgen. Alleen wanneer er, los van dat prijsmechanisme, werkelijk een afzonderlijke en identificeerbare dienst wordt verricht, komt een dienstenbenadering in beeld. In dat geval moet men ook kunnen duiden welke dienst het precies betreft en waarom de betaling de werkelijke tegenwaarde daarvoor vormt.

Het blijft afwachten in welke mate het Hof deze benadering volgt. Ook los daarvan biedt de conclusie vandaag al een bruikbaar referentiekader om discussies met administraties en andere stakeholders terug te brengen tot de kern: wat wordt werkelijk gecorrigeerd, en via welk mechanisme.

Deze bijdrage is verschenen op TaxWin (te raadplegen op taxwin .be)