Kredietoverdrachten en btw: hof bevestigt strikte uitlegging van de vrijstelling voor kredietbeheer

Jun 18
Achtergrond

In herfinancieringsstructuren worden kredietportefeuilles vaak overgedragen, terwijl het dagelijkse beheer bij de oorspronkelijke bank blijft. Voor de kredietnemer verandert er weinig, maar btw-technisch verschuift de aandacht naar de beheerfee die de bank na overdracht ontvangt.

Valt die vergoeding nog onder de vrijstelling voor “beheer van kredieten door degene die de kredieten verleent” in artikel 135, lid 1, b, Btw-richtlijn? Het Gerecht beantwoordt die vraag ontkennend. De vrijstelling hangt niet aan de historische rol van degene die het krediet ooit heeft toegekend, maar aan de actuele kredietrelatie. Wie na overdracht geen kredietgever meer is ten aanzien van de beheerde kredietportefeuille, verricht geen vrijgesteld kredietbeheer, maar levert in beginsel een belaste dienst aan de overnemer van de kredieten.

Wettelijk kader

De discussie speelt zich af binnen artikel 135, lid 1, Btw-richtlijn, dat vrijstellingen bevat voor financiële diensten. In deze zaak zijn vooral drie bepalingen relevant:

  • artikel 135, lid 1, b: verlening van kredieten en het beheer van kredieten door degene die de kredieten verleent;
  • artikel 135, lid 1, c: handelingen betreffende borgstellingen of andere zekerheden, alsook het beheer van kredietgaranties door degene die de kredieten verleent;
  • artikel 135, lid 1, d: handelingen betreffende onder meer schuldvorderingen en betalingen.

De discussie draait vooral om de draagwijdte van de woorden “door degene die de kredieten verleent” in artikel 135, lid 1, b, Btw-richtlijn.

Feiten

De zaak betrof een Finse bank die vastgoedkredieten toekende en die kredieten vervolgens tegen marktprijs overdroeg aan een groepsvennootschap. De overnemer verstrekte zelf geen vastgoedkredieten, maar kocht de kredieten aan van de bank.

Na de overdracht bleven alle beheertaken bij de oorspronkelijke bank. Zij stond onder meer in voor de klantenservice, de opvolging van de kredieten, de berekening van interesten en commissies, wijzigingen aan de kredieten en, waar nodig, invorderingshandelingen. De vergoeding voor deze beheerdiensten werd berekend op basis van de werkelijke kosten, vermeerderd met een overeengekomen winstmarge. Een deel van de overgedragen kredieten diende bovendien als zekerheid voor obligaties die door de overnemer werden uitgegeven.

Prejudiciële vragen

De verwijzende rechter wilde in hoofdzaak weten of “degene die de kredieten verleent” moet worden begrepen als de oorspronkelijke kredietverstrekker die het krediet destijds heeft toegekend, dan wel als de partij die op het moment van het beheer nog binnen de kredietrelatie staat.

Daarnaast rees de vraag of het beheer eventueel toch onder een andere vrijstelling kon vallen, met name via de bepalingen inzake borgstellingen en andere zekerheden of via handelingen betreffende vorderingen en betalingen.

Arrest van het Gerecht

Het Gerecht stelt vast dat de bewoording van artikel 135, lid 1, b, geen volledig eenduidig antwoord geeft. Sommige taalversies verwijzen naar het verleden, andere eerder naar een actuele hoedanigheid. Daarom kijkt het Gerecht naar de context en de doelstelling van de vrijstelling.

Om te beginnen herinnert het Hof eraan dat de btw-vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd. Het onderzoekt daarbij onder andere de verschillende taalversies van de voorwaarde „door degene die deze heeft verleend” in artikel 135, lid 1, onder b). Het merkt daarbij dat sommige versies (waaronder de Nederlandse en de Franse) een werkwoord in de verleden tijd gebruiken en andere (onder andere de Engelse) een onvoltooid deelwoord of in de tegenwoordige tijd om de verlening van kredieten te beschrijven.

Volgens het Hof beoogt de vrijstelling te waarborgen dat alle prestaties die in het kader van een kredietrelatie worden verricht, van btw worden vrijgesteld. De strikte uitlegging van de uitzondering van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn verzet zich ertegen dat deze vrijstelling wordt toegepast op elke situatie waarin dit verband is verdwenen.

De vrijstelling voor kredietbeheer geldt dus enkel voor beheer binnen de oorspronkelijke kredietrelatie tussen kredietgever en kredietnemer. Wanneer de kredietgever de kredieten overdraagt aan een derde, is dat verband verbroken. Het beheer dat daarna wordt verricht voor rekening van de overnemer, vormt een afzonderlijke dienst aan die overnemer en valt niet onder artikel 135, lid 1, b, Btw-richtlijn.

De vrijstelling is dus niet opgevat als een algemene vrijstelling voor kredietservicing, maar is gekoppeld aan het beheer binnen de kredietrelatie tussen kredietgever en kredietnemer.

Het Gerecht benadrukt daarbij ook de fiscale neutraliteit. Er mag geen verschil in btw-behandeling ontstaan naargelang dezelfde beheerdienst wordt verricht door de oorspronkelijke kredietverstrekker of door een andere derde dienstverlener. In dat laatste geval is de dienst belast. Hetzelfde moet dus gelden wanneer de oorspronkelijke kredietverstrekker na overdracht als servicer optreedt.

Het Gerecht toetst die lezing ook aan de doelstellingen van de financiële vrijstellingen. Die vrijstellingen beogen onder meer praktische moeilijkheden bij het bepalen van de maatstaf van heffing en het recht op aftrek te vermijden, en te voorkomen dat consumentenkrediet duurder wordt. Volgens het Gerecht spelen die overwegingen hier niet op dezelfde wijze. De beheerdiensten worden afzonderlijk gefactureerd aan de overnemer, op basis van werkelijke kosten en een winstmarge. Er is dus geen vergelijkbare moeilijkheid om de maatstaf van heffing te bepalen. Bovendien worden de diensten niet rechtstreeks aan de kredietnemer gefactureerd. Een mogelijke indirecte impact op de financieringskost volstaat niet om de vrijstelling uit te breiden.

Ook de alternatieve vrijstellingen worden afgewezen. Artikel 135, lid 1, c, helpt niet, ook al dienen de kredieten als zekerheid voor obligaties. Het beheer van krediet is specifiek geregeld in artikel 135, lid 1, b. Die beperking kan niet worden omzeild door het beheer te kwalificeren als een handeling inzake zekerheden.

Artikel 135, lid 1, d, helpt evenmin. Beheerdiensten voor overgedragen kredieten brengen op zich geen overdracht van geldmiddelen teweeg en vervullen niet de specifieke en essentiële functies van een betaling of overdracht. Zij zijn dus geen vrijgestelde handelingen betreffende vorderingen of betalingen.

Commentaar

Dit arrest bevestigt de strikte uitlegging van de financiële vrijstellingen. De lijn van de advocaat-generaal wordt in hoofdzaak gevolgd: na verkoop van de kredieten wordt servicing een afzonderlijke, btw-belaste dienst.

Juridisch is die uitkomst herkenbaar. Artikel 135, lid 1, b, koppelt de vrijstelling voor kredietbeheer aan degene die het krediet verleent. Volgens het Gerecht gaat het daarbij niet om een blijvend historisch etiket, maar om beheer binnen de kredietrelatie waarvoor de vrijstelling bedoeld is. Zodra de kredieten worden overgedragen, beheert de oorspronkelijke bank niet langer eigen kredieten binnen die relatie, maar verricht zij een dienst voor de overnemer.

De impact kan aanzienlijk zijn. In heel wat herfinancieringsstructuren wordt het beheer van overgedragen kredieten praktisch bij de oorspronkelijke kredietverstrekker gelaten. Dat is commercieel logisch, omdat die partij de klantenrelatie, systemen en kredietdocumentatie al beheert. Btw-technisch volstaat dat volgens het Gerecht niet om de vrijstelling te behouden.

Dichter bij huis zet dit ook druk op de Belgische praktijk. In België wordt aanvaard dat de oorspronkelijke kredietverlener ook na overdracht de vrijstelling van artikel 44, § 3, 5° WBTW kan toepassen op beheerdiensten aan de overnemer, terwijl gelijkaardig beheer door een derde in beginsel btw-belast is, zoals verwoord in Circulaire 2018/C/49 van 24 april 2018.

Deze benadering wordt door dit arrest moeilijker houdbaar. Het Gerecht wijst net op het probleem dat dezelfde beheerdienst anders wordt behandeld naargelang zij wordt verricht door de oorspronkelijke kredietgever of door een andere dienstverlener. Dat verschil botst met de fiscale neutraliteit.

De praktische consequentie ligt bij de financiële sector. In structuren waarbij de overnemer een beperkt of geen recht op aftrek heeft, wordt btw op de beheerfee een echte kost. Dat kan rechtstreeks wegen op de rendabiliteit van securitisatie-, covered bond- en andere herfinancieringsstructuren.

Het arrest toont opnieuw dat financiële btw onder druk blijft staan. De markt werkt met overdrachten, servicingplatformen en kapitaalmarktstructuren, terwijl de Btw-richtlijn nog altijd werkt met vrijstellingsbegrippen uit een andere tijd. Zolang de wetgever niet bijstuurt, zal de rechtspraak de grenzen blijven trekken. In dit dossier doet zij dat streng.

Bron: Gerecht, 17 juni 2026, T-184/25, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö tegen A Oy.

Deze bijdrage is verschenen op TaxWin (te raadplegen op taxwin)